Hondenziekte (ziekte van Carré of distemper)
Hondenziekte is een infectieziekte waar vroeger regelmatig honden aan stierven en met name jonge honden. Vatbaarheid voor hondenziekte is verschillend en hangt onder meer af van de afweer. Met name pups en jonge honden lopen risico, maar ook oudere dieren kunnen geïnfecteerd raken. Hondenziekte is een erg besmettelijke virusziekte. De ziekte is bij Nederlandse honden zeer zeldzaam omdat de meeste honden tegen deze ziekte worden gevaccineerd.

 

Besmetting
Besmetting gebeurt via direct contact tussen een ziek en een gezond dier; het virus wordt over het algemeen ingeademd en komt in het ademhalingsstelsel terecht. Meestal gebeurt de besmetting direct; het virus wordt ingeademd en komt in het ademhalingsstelsel terecht. De besmetting kan ook plaatsvinden via speeksel, urine of ontlasting. Het virus vermenigvuldigt zich in de amandelen en de bronchiën (vertakkingen van de luchtpijp) en verspreidt zich daarna binnen acht dagen in het lichaam.

 

Symptomen
De volgende symptomen openbaren zich bij hondenziekte:

  • hoesten;
  • niezen;
  • afscheiding uit de neus;
  • diarree;
  • ontstoken ogen;
  • temperatuurverhoging;
  • apatie.

In sommige gevallen kunnen deze symptomen ontbreken en tast de hondenziekte het zenuwstelsel rechtstreeks aan, waarbij hersenontsteking en krampen optreden. In dit geval is herstel meestal niet meer te verwachten.

 

Diagnose
De diagnose wordt gesteld als tenminste vier van de zes volgende symptomen aanwezig zijn: neus- en ooguitvloeiing, spijsverteringsstoornissen, ademhalingsstoornissen, zenuwstoornissen, persisterende koorts en dit alles bij een jong dier. Laboratoriumdiagnostiek kan helpen bij de bevestiging van de klinische diagnose.

 

Behandeling
De behandeling is gericht op eventuele secundaire infecties en de verschijnselen van het maagdarmkanaal en het ademhalingsstelsel. De beste manier om honden tegen deze ziekte te beschermen is via preventie. In grote groepen is het aan te raden om nieuw te introduceren dieren in quarantaine te houden. De ontsmetting van de verblijven wordt ook ten stelligste aangeraden. Er bestaan vaccins die vanaf de zesde levensweek gebruikt kunnen worden en die de hond zo vroeg mogelijk trachten te beschermen.

 

Prognose
Er bestaan drie verschillende ontwikkelingsmogelijkheden. Bij de helft van de honden is de immuun reactie bevredigend en verdwijnt het virus. Deze dieren genezen volledig.


Bij andere dieren loopt er iets mis met de immuniteitsopbouw en deze honden vertonen de typische symptomen van de ziekte. Een minderheid van de dieren lijkt te genezen, maar vertoont een maand later zenuwstoornissen. Men ziet dan verlammingen, gedragsveranderingen, krampen van de kauwspieren of epiletische aanvallen. In het laatste stadia zijn deze verschijnselen blijvend, bijvoorbeeld verlamming of een voortdurend trillende achterpoot.

 

Er bestaan ook andere vormen van de ziekte, de zogenaamde atypische vormen. Eén daarvan kenmerkt zich door een verdikking van de neushuid en de zoolkussens, een neus- en ooguitvloeiing en een aanhoudende koorts. Het ziekteproces verloopt langzaam: veelal ontwikkelt zich een hersenontsteking die fataal afloopt.

 

Risico’s dieren uit het buitenland
De honden uit het buitenland worden weliswaar geënt voordat ze de grens over mogen, maar u dient er rekening mee te houden dat de dieren pas echt beschermd zijn nadat ze meerdere entingen hebben gehad. De ouders van de meeste honden uit het buitenland zijn niet geënt en dus moet, vooral bij jonge honden, scherp opgelet worden of ze geen van de hierboven vermelde symptomen hebben.